Laatste reacties

Old cows from the ditch

Mijn foto
Neem inhoud van deze site over (XML)
web-log.nl, powered by TypePad

3 juni 2007

De man met de pet

Een man met een verwilderde blik in zijn ogen en een pet met PTT-embleem op zijn hoofd loopt door de hoofdstraat van Wavelen. Zijn pas versnelt als hij de schimmen in zijn hoofd dichterbij voelt komen. Het puntje van zijn tong steekt uit zijn rechtermondhoek. "Rode tulpen, rode tulpen", hijgt hij om de zeven wankele stappen.

Lees meer "De man met de pet" »

30 maart 2007

Het feest

Op de drassige weilanden tussen de dorpjes Koveringen en Wavelen stond een rode feesttent. Naast de tent stond een tap, alwaar men bier in plastic bekers kon aanschaffen. Het jaarlijkse maïs-en-lepelaars-festijn was al vijf dagen geleden begonnen, maar pas vandaag kwamen de eerste bezoekers opdraven. De reden was duidelijk: zangtalent Leo, lokale held van velen, zou een daverend optreden verzorgen. Hij stond al maanden in de regionale hitlijsten met zijn chanson 'Liefde meurt als rode tulpen'. Het was vooralsnog het enige lied op zijn repertoir, hij zong het zo'n acht á negen keer per optreden.

De dorpelingen waren massaal uitgelopen voor hun idool Leo. In een lange rij stonden ze aan de toog, gulzig slokken bier door hun keel gietend. Zo nu en dan klonk een welgemeende boer. Meer had men elkander thans niet te melden. En het was goed zo, er waren de laatste tijd veel spanningen in de streek. Achter een oude iep stond een slechtgeschoren man in een versleten regenjas. Het was dertig graden. Hij tuurde langs de schors van de boom en observeerde. Hij zag alles, immers, hij was niet voor niets privaat detective met een missie.

Aan de tap was het boeren inmiddels overgegaan in een enthousiast kotsen. Aad Lampet, de postbode, braakte over de tot dan toe zo mooi glimmende schoenen van keurslager Jan de Spruiter. "Moet je een bot op je moffel?" bracht de slager met veel moeite, maar evenzogoed dreigend uit. Hij keek zowel Aad als de cynisch lachende banketbakker Joost aan. Van drank gingen zijn ogen altijd scheel staan. "Rustig maar Jan", maanden de zusjes Giraal hem tot kalmte. "Hier, neem nog een pilsje", zei Els Giraal sussend. Willeke Giraal lanceerde hoestend een bruine klodder slijm, die op de pet van Ed Tromp, de huisarts, terecht kwam. Tromp draaide zich woest vloekend om...

"Er gaat wat gebeuren, ik voel het aan mijn jubeltenen", dacht de verscholen detective Tobbe van der Sluis van achter zijn iep. Deze confrontatie zou kunnen leiden tot de oplossing van de reeks mysterieuze gebeurtenissen van de laatste tijd! "Is everybody een beetje happy?!", schalde op dat moment de stem van Leo door de speakers. De feestgangers vergaten op slag elkaar, hun ruzies, frustraties, het bier, de mais, de lepelaars en de kots. Het optreden ging beginnen! Ze verdrongen zich voor het podium, terwijl Leo 'Liefde meurt als rode tulpen' inzette:

"Liefde meurt als rode tulpen / en soms ook andere bloemen / maar als ik jou zie / kan mij dat niets verdoemen"

21 januari 2007

De postbode

Het rook naar pizza funghi in een portiekwoning in Koveringen, gemeente Wavelen. De bewoner van het pand, Aad Lampet, was op zijn versleten tweezitsbank in slaap gevallen. Over de stoel naast de bank hing een pet en een bijpassend jasje met het PTT-logo er op. Het postbedrijf heette in de rest van het land al geruime tijd TNT-Post, maar niemand had de moeite genomen om Aad in een nieuw uniform te steken.

Aad droomde een droom die al net zo chaotisch was als zijn bedompte woning. De grond was bezaaid met oude kranten, onbezorgde poststukken en tientallen lege pizzadozen. Dokter Oetker, pizza met kaas, tomaten en champignons. 's Ochtends om 7 uur at hij er één en 's avonds om zeven uur nog maar eens. Een mens moet wat.

Normaal gesproken droomde Aad niet. Ja, van zijn pensioen en van de dood. Verder niet. Zijn vrouw was overleden aan kinkhoest. Zijn carnavalsplaat was geflopt. Ooit kocht hij een Sint Bernardshond, maar die wilde ondanks intensieve puppytraining niet luisteren. Uiteindelijk verkocht hij het dier aan een palingvisser uit Enkhuizen. Wat was er nog over om van te dromen, behalve het einde der tijden? Of in ieder geval: zijn tijd.

Vandaag droomde Aad wel. Hij had die dag een brief bezorgd bij Els, de haarconsulente van het dorp . Toen hij haar zag, kreeg hij een dijk van een erectie. Voor het eerst sinds hij een half jaar geleden een erotische catalogus moest bezorgen bij Tobbe van der Sluis, een verlopen type dat in een vlaag van verstandsverbijstering had besloten privé detective te worden. Aad had de catalogus niet bezorgd. Die avond had hij de hand aan zichzelf geslagen, turend naar de catalogus terwijl hij onderwijl luid smakkend zijn pizza funghi naar binnen werkte.

Aad Lampet droomde van Els Giraal. Een vrolijke, zondige droom in het hoofd van een sombere man. In een hoek van de kamer lag naast een opgezette emoe een grote stapel boeken uit de laat 19e eeuw. Een verzamelband met de morbide geschriften van de obscure schrijver Jack van der Graf lag boven op. De kookwekker rinkelde Aad terug naar het hier en nu. "Sterf! Sterf! Sterf!" hijgde de postbeambte. Hij sloeg zijn ogen open en keek verwilderd om zich heen. Zijn pizza was gaar.

27 november 2006

Aan het ziekbed

Tobbe van der Sluis roerde in zijn zwarte koffie. De voormalig palingboer, thans privaat detective, zat aan de rand van het bed van Willeke Giraal en nam een slok. De koffie smaakte hem niet, de penetrante geur van bedorven spek en ziekte benam hem de lust.

Els en Willeke, zussen door dik en dun ("maar vooral dik", dacht Tobbe bij zichzelf) keken en elkaar even vertwijfeld aan en staken toen van wal. "We zijn heel blij dat u gekomen bent", zei Els. Willeke hoestte. Een middelgrote, gele slijmklodder vloog door het bedompte kamertje. Tobbe bukte. 'Een privaat detective bukt altijd als iets op hem af komt gevlogen', was één van zijn vele motto's.

"U moet uitzoeken wie de slagersvlaggen van Jan de Spruiter in de brand heeft gezet en wie die vreemde geschriften verspreidt.  Hij denkt dat Joost Dermat het heeft gedaan en het loopt uit de hand!", jammerde Els. Willeke hoestte, Tobbe bukte. Er viel een stilte.

"Uit voorzorg heb ik het slagersmes van Jan gestolen" fluisterde Els toen. "Ik was bang dat hij Joost ermee te lijf zou gaan. Ik had het mes verstopt onder de brug, achter een varen, maar toen ik het gisteren op wilde halen, was het verdwenen." Er viel weer een stilte. Tobbe kreeg het idee dat hij iets moest vragen, maar hij had geen idee wat. Vijf minuten zaten ze zwijgend tegenover elkaar. Toen begon Willeke te hoesten. De spetters stonden op de bril van Tobbe.

"Dank u voor deze inlichtingen. Thans stap ik maar weer eens op", zei hij gewichtig om zich een houding te geven. En hij hield woord: hij stapte op.

8 oktober 2006

Een schim op een zomerdag

Een vage schim op een fiets. Zijn benen malen, voorover gebogen stuwt hij zich door de warme, drukkende zomerlucht. Een verschijning die vloekt met zijn omgeving, als een kameel op de noordpool. Een jongleur in de Tweede Kamer. Op de landweg tussen Wavelen en Koveringen hoorden bolle boerenzonen en -dochters met rode wangen thuis, niet deze uit luciferhoutjes opgebouwde gestalte met zijn grijze jas en dito gelaat. Op een zomerdag hoort geen regenachtige man. Hij fietst voort, alsof de duivel in hoogst eigen persoon achter hem aanzit, voortgedreven door angst en woede.

Onder een oude eikenboom parkeert hij zijn fiets en hij loopt naar de bouwvallige dorpsbibliotheek, waarvan de planken met spinrag aan elkaar lijken te zitten. Daar, in die schaduw hoort hij thuis. Hij is er eerder geweest en heeft toen een fout gemaakt die hij recht nu komt zetten.

Vijf minuten later trekt hij zijn slagersmes terug uit de borst van de bibliothecasesse. Zijn handen slaan het enige boek dat in de bibliotheek aanwezig is open, terwijl achter hem met een lichte kreun een vrouw haar laatste adem uitblaast. Achter de kaft van het boek, trekt hij een paar pagina's te voorschijn. Haastig propt hij ze in de zak van zijn trenchcoat.

Vijf minuten later zit hij weer op zijn fiets. De zon brandt op zijn kalende schedel, met krakende stem zingt hij zachtjes voor uit: "De liefde is als een bal gehakt / Of aardappeltjes met ui erdoor geprakt / En tevens..." Zijn adem stokt als hij in de verte een gestalte ziet naderen...

24 februari 2006

Winterstress in Wavelen

Willeke Giraal lag al dagen ziek in bed. Volgens Ed Tromp, de enige huisarts in Wavelen, leed ze aan kinkhoest. Els, haar zuster die naast haarconsulente parttime medium was, zag dat anders. Volgens haar leed Willeke aan winterstress. Haar aura had een ongewoon ijzige kleur, zodoende. Nu lag ze op bed met een maansteen onder haar kussen. De pillen die ze van dokter Tromp had gekregen, mengde ze door het voer van haar kat Ursula, die de laatste tijd ook wat bleek zag. Ze doodde de tijd door detectives te lezen. Wat dat betreft kon ze nog wel even ziek blijven, ze had een enorme collectie. Ze stond bekend als de bibliotheek van de hele gemeente Wavelen. Ze had weleens gehoord dat in het nabij gelegen dorpje Koveringen ook een bibliotheek zou zijn, maar ze kende niemand die daar ooit geweest was. Voor boeken, en dan met name detectives, kwam men bij haar. Ze lag in bed onder haar schapenwollen deken en staarde naar de scheuren in het plafond. Het enige dat haar grijze dagen kleur gaf, was het bezoek dat ze af en toe kreeg van haar zus Els. Die nam dan een plastic tas vol vlees met haar mee. Willeke wist dat Els een oogje had op een slager en dat ze geen mogelijkheid onbenut liet om hem op te zoeken. Ondertussen lag haar hele keuken vol vlees. Kippenpoten, lamskoteletten, rundergehakt en spek, kilo's en kilo's spek. Zodra ze beter was, zou ze een barbeque voor het dorp organiseren, zo nam ze zich voor. Plotseling ging de telefoon, die al vier dagen nadrukkelijk naast haar bed stond te zwijgen. Ze nam op en hoorde gelijk dat het Els was aan de andere kant van de lijn. Ze was duidelijk overstuur. "Oh, Willeke, we hebben bijna gezoend, Jan en ik! Het was zo intiem, ik voelde zijn ziel in mijn oor fluisteren. Maar goed, precies op dat moment schoot er een fietser uit de bosjes. Jan was zo dapper! We hebben vier pagina's uit een boek of zo gevonden." Willeke beantwoordde het relaas van haar zus met een hartstochtelijk gehoest. Toen ze daar vijf minuten later mee klaar was, sprak ze zo kalm haar verwarring toe liet: "Rustig maar, Els, rustig. Ik snap er niks van, waarom vertel je me dit?" Er kwam geen antwoord. Willeke hoorde het onregelmatige ademen aan de andere kant van de lijn. Toen zei Els met gebroken stem: "Het was Joost..."

25 januari 2006

De bibliotheek

Paula van Runen was bibliothecaresse in het dorpje Koveringen. Het was geen grote bibliotheek die ze runde, de grote leeszaal van de bibliotheek had in vroeger tijden dienst gedaan als kolenhok en de gehele collectie bestond uit 1 boek. Dat boek was geschreven door ene Jack van der Graf, een onbekende schrijver uit de laat 19e eeuw. Paula vermoedde dat hij was overleden door zich te verslikken in een vissengraatje, maar daarvoor had ze geen enkele aanwijzing. Het boek droeg de titel "Moord op het oestervrouwtje." De laatste 16 bladzijden waren eruit gescheurd, zodat de mysterieuze moord op het oestervrouwtje, waar de roman grotendeels over ging, voor de lezer onopgelost bleef.

De geringe belangstelling van de plaatselijke bevolking voor de boekerij irriteerde Paula mateloos. Ze had de pest aan het ongeletterde plebs dat ze niet over de vloer kreeg. De enige die weleens langs kwam was Joost Dermat. Ze vond Joost maar een arrogante blaaskaak, die alleen maar bij haar over de vloer kwam om zijn verwrongen zelfbeeld in stand te houden. Dagenlang zat ze alleen in haar slecht onderhouden bibliotheekje te mijmeren over literatuur en kunst en poezie en dergelijke zaken meer. Soms ook over de zin van het leven. Overigens was het beperkte boekenaanbod niet de enige oorzaak van het chronische gebrek aan klanten. Ook het feit dat Paula een ongenaam luide stem had was daar debet aan. Als er al eens een bezoeker in de bibliotheek kwam, meestal een verdwaalde toerist die de weg kwam vragen, zorgde het schelle "hallo!" van Paula er voor dat deze zich beduusd en met suizende oren uit de voeten maakte. Terug naar de wereld van de onwetenden, de plompe cultuurbarbaren, de blinden die zelfs geen eenoog in hun midden kunnen vinden om tot koning te kronen.

Het was ondertussen vijf uur geworden, sluitingstijd. Paula controleerde of het boek nog op de plank stond. Dat was het geval. Zorgvuldig sloot ze de deur van het gebouwtje dat al tijden op instorten stond. "Mensen willen gewoon niet weten wie het oestervrouwtje vermoord heeft" dacht ze somber. "Ze zijn te druk bezig met in de modder wroeten om de parels van het leven te zien." Die dag stierf ze. Slechts een enkeling heeft haar dood opgemerkt, slechts een enkeleling mist haar.